Piet de Visser: “Roda heeft maandenlang een topprestatie geleverd”
Door Kees Jansma
Gepubliceerd op 15 januari 1983
Vorige week donderdag, koffie drinken bij Roda-manager Hans Coerver, op Kaalheide. De door blessures geteisterde spelersgroep heeft er zojuist anderhalf uur baltraining opzitten; Piet de Visser pept de sombere Remco Boere (“wéér geraakt”) enigszins op, de anderen blikken vooruit naar het cruciale bekerduel met Helmond Sport. Veel jonge, onbekende gezichten in de kleedkamer. Een paar dagen eerder klopte Roda in de Geusselt MVV met 0-3, met jonge verdedigers als Martens, Rosenau en Klein. De Visser doet daar blij over, maar bidt toch ook hardop om de behouden terugkeer van Leo Ehlen, Eugène Marijnissen en de al genoemde Boere. Met 13 uit 7 prijkte Roda bij de aanvang van de competitie aan de kop van de ranglijst, té hoog, uiteraard, maar het logische verval was toch te hevig – na het beschamende verlies op eigen veld, pal voor de winterstop tegen NEC, bekleedt de ploeg een middenpositie, niet meer/niet minder.
Maar gefeest is er, die eerste weken, 100.000 toeschouwers ruim, bij de eerste 7 thuiswedstrijden, daarmee werd een sterke financiële bodem gelegd voor de rest van het seizoen. Hans Coerver steekt er een sigaar bij op.
Tevreden ja, maar waarom was men zo ontgoocheld, en in Kerkrade en ook ver daarbuiten, dat die hoge positieniet lang kon worden vastgehouden? Wij hier, bij Roda, runnen deze clubs dagelijks met pakweg 4 man, wij zijn met zijn alle tijdens de kerstdagen op sjouw geweest, veel wedstrijden in Engeland gezien; mán, slecht voetbal, houd je niet voor mogelijk, maar wát een instelling, wát een gevechten, wát een goede benadering van de pers, wát een goede verstandhouding tussen de heren coaches/managers onderling.
Roda JC, zegt Coerver, heeft een goede prestatie geleverd, tot dusver. Kijk maar hoe snel De Visser een nieuw elftal heeft samengesteld. Da’s klasse man, zegt Coerver, zangerig, en dan: ik hoop dat De Visser nog één, twee jaar blijft. Hij is nu al aan zijn derde seizoen bezig. Die man werkt hard en goed. Maar ná hem? Mijn hemeltje, Korbach of Berger, maar noem me nog eens méér aanvaardbare figuren. Mijn broer Wiel heeft in één ding gelijk, de trainersopleiding in Zeist, wat heeft die voortgebracht?
Piet de Visser, 48 en jeugdig, stormt binnen. Bestrijdt de opinie van zijn manager. Spreekt wel zijn enorme waardering uit voor de structuur bij Roda. Híer, zegt hij, hier is het voor een trainer goed werken, de manager staat achter je, het bestuur hóór je over technische zaken niet, er staat altijd wel een redelijk elftal. “En als ik zeg: manager, die Hofman, die wil ik graag houden, dan blijft ie ook”. Onmiddellijk haakt Coerver in: “Luister, Piet, geeft dat blaadje, VI, ook eens een primeur. Hier, in het bijzijn van een verslaggever, kun je jezelf voor nog eens één, of twee jaar vastleggen. Doe het, nu, dan kunnen we de komende maanden in alle rust het nieuwe seizoen voorbereiden.”
De Visser lacht schaterend. “Há trots ben ik, trots, dat ik in 25 jaar tijd acht clubs heb gehad. Nooit zonder heb gezeten. Dat eerste contractvoor het eerste jaar, dat sluit makkelijk af. Maar als ze maar na drie seizoenen werken nog langer willen houden, wat betekent dat ze mij, door-en-door kennende, vanwege dat wat ik gepresteerd heb waarderen; dan ben ik trots, ja…” Geen antwoord op de vraag” vindt Coerver, “teken nu voor één of twee seizoenen bij.” De Visser vindt dat maar raar, omdat ik er met mijn neus bovenop zit. “Ik heb het je gezegd, Hans, ik denk het wel, maar er moeten nog wat kleine punten worden opgelost… “
Weer België, Piet, veronderstel ik en terwijl ik dat zeg, denk ik: Piet de Visser, bijna een vijftiger, al 25 jaar full-time voetbaloefenmeester, maar altijd weer werk. Slecht één keer, bij RWDM, in Brussel, stapte hij na onenigheid met de voorzitter zelf op, pal nadat hij de halve finale van de Uefa Cup had bereikt en tweede van België was geworden. Ze noemen hem niet modern, eentje van de oude stempel, een harde werker, dat wel, maar is-ie wel eens echt geanalyseerd?
Schreeuwen, dat kan Piet, werd er verondersteld, maar een werkelijke topper? Vorige week nog meende Arie Stehouwer, een aardige man, hoor, daar niet van, in VI het merendeel van zijn collega-oefenmeesters “leeghoofden” te noemen, die nodig moesten oprotten. Wat hebben De Visser’s aan het betaalde voetbal toegevoegd, meende Stehouwer, prachtige tekst hoor, maar uit de mond van ene Stehouwer. De Visser kn bogn op een 25 jaar trainerschap en ik zit er nu zelf bij, Roda JC wilhem dolgraag voor een nog langere periode vastleggen.
Thuis bij Piet de Visser. Zijn vrouw maakt een sportmaaltijd; vanuit de huiskamer kijk je zo West-Duitsland in, in zijn werkkamer overvalt je de nostalgie.
3 mei 1965, DFC kampioen staat er als kop boven een ingelijste krant. Ik herken Gerrie Kattestaart, Jan Klijnjan, Piet, Punt, Chris Feyt, Rinus Bennenaars. DFC was de eerste club waar De Visser als hoofdtrainer werkte. Daarvoor deed hij 7 seizoenen lang de veldtraining, onder leiding van manager/coach Dennis Neville. Tonnie van Ede, Rinus Terlouw, Lou Benningshof, Tinus Bosselaar, De Koning/Verhoeven – weer vliegen de Oude Gouden namen mij om de oren. Na DFC was er Telstar (op de foto staan Van Wijk, Van Egmond, Van der Meeren, Kort, Bond, André, Heinz Stuy nog), De Graafschap (met Coen Poulus, Van Oosterhout, de doelman, Marin Haar, Gerrie de Jonge, Oeki Hoekema, Guus Hiddink) NEC (Jan Peters, Harrie Schellekens, Dries Visser, Johan Zuidema), Molenbeek (“het mooiste elftal” – Olsen, Bjerre, DeSanghere, Boskamp, Teugels, Martens, De Bree, Bennie Nielsen en Wellens) en FC Den Haag.
En zonder al teveel weemoed bekijkt De Visser de elftalfoto van Roda JC – het Grote Roda. Met De Wit, Nanninga, Bregman, Marijt, Alan Nielsen, Jongbloed, Hendriks, De Jong – noem maar op 10 spelers raakte Roda JC kwijt, of beter: wilde men kwijt, om opnieuw te beginnen, met een jonge groep. Vorig seizoen, zegt De Visser, hield iedereen me voor dat we zouden degraderen, maar we werden “gedeeld” achtste. Dit seizoen hebben we in de hemel vertoefd.
“Een ongekende prestatie voor een provincieclub als Roda. 10 jaar redelijk goed in de eredivisie, met aanvallend voetbal; daar kunnen ze hier op terugkijken. Die eerste weken van dit seizoen waren fantastisch. Ik heb ze op de video – Feyenoord en FC Groningen – thuis, voor meer dan 20.000 toeschouwers. Genieten geblazen. Ook met jonge ventjes. Sommigen vinden dat we daarna plotseling in de hel zijn terecht gekomen, onzin, we moeten ons vermannen, we moeten er weer tegenaan. Roda JC heeft maandenlang een absolute topprestatie geleverd, heerlijk toch, en we komen weer terug. Alles wat wij gedaan hebben is overdacht gebeurd, die terugval is jammer, maar begrijpelijk. En als zo’n Stehouwer dan naar zijn collega’s uithaalt, mijn naam ook nog even besmeurt, wat denkt zo’n man wel? Heeft-ie ooit een training van mij gezien, heeft die ooit meegemaakt dat een club als Roda hem wil hebben? Ik ga deze zaak bij de VVON aanhangig maken, de vakbond moet nou maar eens optreden. Al die interviews van die engerds – altijd maar ikke, ikke, ikke, nooit eens iets leuks over een ander, altijd maar katten. Positiefm word ik genoemd, maar dat lijkt wel een scheldwoord, langzamerhand.
Hartstochtelijk zou ik hem willen noemen, bezeten, en hij verwacht dat de jongeren, van deze tijd, om me maar eens als een “ouwe lul” uit te drukken, dat ook zijn. Welneen, beweert De Visser, “ik heb me aangepast aan deze tijd. Ik weet best dat de omstandigheden waarin de jeugd moet werken, leven, minder leuk zijn dan ’t lijkt. Voor hen is niks zeker, dezer dagen. Maar van jonge voetbalprofjes verwacht ik dat ze alles zullen doen om hun vak te gaan beheersen; niet 10 keer een bepaalde oefening doen, néé, wel 100 keer, 1000 keer.”
Roger Raeven, zegt De Visser, heeft gisteravond met het tweede elftal gespeeld. Hij is niet meer dan een reservespeler, nu. Roda moet het maar doen met de aanvalslijn Hofman-Boere (als ie fit is)-Eriksen. Een voorbeeld, deze Raeven. Schitterend gestart, net als het hele team, veel goals, “maar toen al heb ik hem, naast de verdiende complimenten, gewaarschuwd. Roger, doe normaal, blijf gewoon, ga aan jezelf werken. Nee, hij luisterde inderdaad niet. Ja, dan moet je hard zijn als coach. Dan maar in het tweede. Ik heb, met al mijn beperkingen, toch al die jaren eerlijk spel gespeeld met mijn spelers. Nooit alleen de jongere, onbekende spelers aangepakt. Ook de zogenaamde vedetten. Als ik mezelf als trainer dan toch moet analyseren, dan zeg ik: Piet de Visser is er altijd in geslaagd om een jongen die nooit hoger scoort dan een 5 of 6, om die tot een dikke 6 te maken, en om een vent die een 8 kan halen ook telkens die tot die 8 te brengen. Niet meer, niet minder.”
Piet de Visser kent de oefenstof van Wiel Coerver ook, hoor, bezweert hij, nee, ik wil best toegevoegd dat ik op DAT punt niet zo begaafd ben, ieder heeft zijn sterke punt. “Ik zou Wiel best bij Roda willen hebben, maar die man gedraagt zich zo vreemd. Misschien omdat zijn broer hier zit, misschien omdat-ie helaas door gezondheidsproblemen is uitgeschakeld. Ik weet het niet, maar Wiel kat maar op collega’s, niemand kan er iets van.”
Iedere trainer die wordt geïnterviewd noemt zich zelf slim of intelligent. Of beroept zich op zin prestaties. Nou, ik ben bij 8 clubs vier keer kampioen geworden. En ik verloor in de Europese beker met Molenbeek niet één keer – Schalke uitgeschakeld, Feyenoord uitgeschakeld. Ik…. Laat me niet lachen. Een trainer werkt in een team, bij Roda met een mannetje of vier. Hans Coerver, Sjeng Gerards, Mommerts, Fischer. We stappen met zijn vieren in een auto naar Denemarken, zien in een weekeinde 10 wedstrijden, lachen ons rot en geven 600 gulden uit. Bij Roda worden er doodgewoon werkuren in voetbal gestopt, zodat de kans dat je faalt geringer wordt. Mijn aanpak wordt wel eens cynisch “recht voor z’n raap”, genoemd, en dat is ook zo. Ik beledig mijn spelers nooit via de krant, ik roep ze bij me in het kamertje en vertel ze alles. Ik discussieer met ze. Geef ze een boodschap mee. Raeven moet wel eens hard worden aangepakt. Boere moet worden opgepept. Ik lieg nooit tegen mijn spelers, tegen mijn medewerkers – daarom heb ik het zolang volgehouden.”
Neem Remco Boere, zegt hij, amateur bij Excelsior. Het was Sjeng Gerards die hem het eerste zag, in Excelsior-twee, en die heeft hem getipt. Echt een talent, Remco. Maar ik zal nooit zeggen dat ik hem heb gehaald of ontdekt. Doe modieuze onzin.
Hanssen, Cremer, Tsinos, kwamen uit de eigen jeugd, Hofman werd in Heerlen ontdekt, nu hebben we dus Rosenau, Martens, Klein, “dat is onze toekomst”, zegt Piet.
Kom tijdens de vakanties maar kijken. Het eerste elftal is met de beschikbare jeugd bezig. A-tjes, B-tjes, C-tjes, ze trainen met de eerste selectie. Onze scouting is perfect. Natuurlijk, we zoeken ook in Engeland, daar hebben we eerder al een goede vandaan gehaald, maar dure spelers, nee die kunnen we ons niet meer veroorloven. Roda moet zelf opleiden en dat doen we ook.
“En dan, dan is een middenmootpositie voor Roda een goede prestatie. We willen meer, vijfde of zede, dat kan toch? Maar niemand mag meewarig doen nu we wat zijn weggezakt.”
“Na die eerste fantastische serie ontstond er iets van paniek. Coerver en ik, we moesten verdomd alert zijn. De groep werd onrustig, ook omdat er teleurgesteld door de lokale pers werd gereageerd op in feite doornormale nederlagen, pal na die successen. We hebben ons moeten vermannen, we zijn optimistisch gebleven. Die 1-2, thuis, tegen NEC, verdikkeme, dat vond ik ook verschrikkelijk, maar we gaan door. Ehlen komt terug. Degens moet eindelijk weer fit worden, dat telt. Want Eriksen is geen routinier, Van Geel heeft ook steun nodig.” “Maar”, roept hij, een VI grijpend die op een tafel ligt: “de cijfers voor mijn spelers, zowel uit als thuis, die zijn goed gebleven en wat denk je van de amusementswaarde? Altijd hoog als Roda speelt. Onzin, die cijfers? Kan best, maar niet alle journalisten zijn onbekwaam, ik hecht er best wel aan.”
Dat is mijn andere taak, houdt hij staande. “Natuurlijk, ik moet presteren, maar ik wil ook voor spectaculair voetbal zorgen. Aanvallend, dus. Het liefst met drie spitsen. En dikwijls in Van Geel, vanaf de linkerkant mijn vierde aanvaller. Nee, lukken doet het niet altijd. NAC 0-0, NEC 1-2, klote partijen. Maar de wil is er, absoluut. De komende periode zal ik hard zijn, voor mezelf, voor andere. Roda kan er via karakter bovenop komen, we zitten in de stront, maar het zal best in orde komen.”
Smits (“een prima opvolger van Jongbloed, zo van EHC in het eerste, geen probleem”); Van der Ven (“van Fortuna, bij ons doorgebroken”), Ehlen (“mijn beste speler, vorig seizoen”), Degens (“heeft voor de ploeg doorgespeeld, ondanks een blessure”), Hanssen, Marijnissen, Calderwood (“het bindend element op het middenveld”) Van Geel, Hofman, Raeven/Boere, Eriksen 0- dat is zijn elftal. Met al die reeds gememoreerde jongeren achter de hand. “Ik ben helemaal niet ontevreden”, zegt hij.
“Want bij Roda weten ze heus wel dat ze nooit kampioen worden, het Geld ontbreekt, maar meedraaien, dat zou mooi zijn.”
“Ik moet ze drijven, stimuleren, zoals ik 25 jaar lang gedaan heb. De toekomst van Roda is ook voor mij belangrijk. Tegen MVV oefende ik met jongens van 17, 18 en 19 in de verdediging. Maar hó, ik mag daar niet te veel op hameren. Toen wij al die grote namen vanwege hun leeftijd afstootten heb ik gezegd: ik wil niet langer over leeftijden praten – wie 18 is en goed, die speelt in de eredivisie, kan me niet verdomme. Trouwens, wie 28 is en goed die komt ook in aanmerking. In het huidige voetbal zeggen leeftijden me niks meer.” Maar in Holland, gelooft hij, gaat het zo slecht nog niet. Hij ziet veel in Duitsland, veel in België en ook aardig wat wedstrijden in Denemarken. Hé, dan doen we ’t zo slecht nog niet. En vergeet niet dat we tal van toppers in het buitenland hebben. Dat heeft ook de ontwikkeling van jongeren vertraagd. Jonge ploegen, zonder werkelijke vedetten, zijn wisselvalliger dan met echte routiniers. Cruijf en Van Hanegem zijn belangrijk vanwege hun aanwezigheid. Roda heeft in het begin met durf, lef en frisheid gespeeld: dat dat tijdelijke weg is, ach, dat is normaal, daar hoeft niemand zijn wenkbrauwen over op te trekken. We komen wel weer terug.”
“Ja”, beaamt hij, ten overvloede, “Ik ben redelijk optimistisch. Ook over Het Talent. Dat is er. Wij trainers moten daar voorzichtig mee zijn. Dat is onze taak. En niet elkaar beschimpen, katten en belachelijk maken. Ik word ziek van al die stukken met kankerende mensen. Ik heb niet eens tijd om de werkwijze van anderen te bekritiseren.”
Uit: VI 10, 15 januari 1983
Foto’s: Pet van der Klooster en Charles Ruys Jr.
|