Komende wedstrijd
Zaterdag 2 augustus 2008
Aanvang: 16:00 uur



Vorig Seizoen
Voorbeschouwing
Programma en stand
Laatste wedstrijd
Zaterdag 26 juli 2008
Heesen Yacht Stadion



Fotoverslag
Nabeschouwing
De Media
Statistieken
Laatste Nieuws
Roda JC-Headliner

Andres Oper Seizoen 2007/2008

Naam: Andres
Voornaam: Oper
Geboortedatum: 07-11-1977
Geboorteplaats: Tallinn
Nationaliteit: Estlandse
Burgelijke staat:
Ongehuwd
Lengte: 1.85 m
Gewicht: 81 kg
In dienst sedert seizoen: 2005/2006
Contract t/m seizoen: 2008/2009
Voorkeurspositie in elftal: Spits
Vorige club: Torpedo Moskou
Rugnummer: 11


Bijz:

 

Andres Oper Seizoen 2006/2007

Naam: Andres
Voornaam: Oper
Geboortedatum: 07-11-1977
Geboorteplaats: Tallinn
Nationaliteit: Estlandse
Burgelijke staat:
Ongehuwd
Lengte: 1.85 m
Gewicht: 81 kg
In dienst sedert seizoen: 2005/2006
Contract t/m seizoen: 2007/2008
Voorkeurspositie in elftal: Spits
Vorige club: Torpedo Moskou
Rugnummer: 11


Bijz:

 

Andres Oper Seizoen 2005/2006

Naam: Andres
Voornaam: Oper
Geboortedatum: 07-11-1977
Geboorteplaats: Tallinn
Nationaliteit: Estlandse
Burgelijke staat:
Ongehuwd
Lengte: 1.85 m
Gewicht: 75 kg
In dienst sedert seizoen: 2005/2006
Contract t/m seizoen: 2005/2006
Voorkeurspositie in elftal:
Vorige club: Torpedo Moskou
Rugnummer: 11
Hobby's:
Voorbeeld in voetballerij:
Ambities:


Bijz: Andres werd als vervanger van Arouna Koné op het laatste moment aangetrokken, de competitie was toen al twee wedstrijden oud.

 

Andres Oper:‘Ik hoor bij Roda JC weinig meer over Arouna Koné’

30/11/2005  11:58

Hij moet misschien wel de beste aanvaller in Nederland opvolgen, maar dankzij de doelpunten van Andres Oper (28) won Roda JC drie keer op rij, daarna bijna ook van NAC Breda en verloor eervol van Feyenoord en AZ. In dit interview praat hij over de erfenis van Arouna Koné, zijn belevenissen in Denemarken en Rusland, en de toekomst van het voetbal in Estland.

Na een moeilijk begin scoorde je in je laatste zes wedstrijden voor Roda JC vijf keer. Daardoor won de club drie keer op rij, vervolgens thuis tegen NAC Breda ook bijna (3-3) en was er een minimale nederlaag tegen Feyenoord (2-3). Alleen afgelopen zondag tegen AZ (2-0 verlies) maakte je geen goal. Heeft Roda met Andres Oper de juiste opvolger van Arouna Koné in huis gehaald?

‘Ik heb eigenlijk al zes doelpunten gemaakt, maar mijn goal in de uitwedstrijd tegen RKC Waalwijk werd afgekeurd wegens buitenspel. Die vijf doelpunten zijn leuk, maar het kan altijd beter. Of ik de juiste opvolger ben van Koné, weet ik nog niet. Het is nog te vroeg daarover te praten, al ben ik in elk geval wel op de goede weg. De opvolging van Koné is nogal een item in Nederland, heb ik gemerkt. Iedereen begint erover en aan de ene kant begrijp ik dat wel. Koné schijnt het bij Roda JC heel goed te hebben gedaan, de mensen zijn echt lovend over hem. Ik kan dat niet beoordelen, ik ken Koné niet als voetballer. Wat ik wél weet is dat wij totaal verschillende spelers zijn. Hij is een technische voetballer, ik ben meer een combinerende spits. Ik hoop dat Roda JC aan mij net zoveel plezier gaat beleven als aan Koné.’

Koné opvolgen is een lastige opgave. Hij is misschien wel de beste aanvaller in Nederland.

‘Dat maakt de opdracht juist zo interessant! Ik volg Koné heel graag op. Waarom zou ik er angst voor moeten hebben? Het gaat maar om één ding: doelpunten maken. Daarom ben ik erg blij met die vijf goals; vooral met de eerste drie, omdat ze achteraf beslissend bleken te zijn voor de overwinning. Het is voor een nieuwe spits belangrijk dat hij snel scoort, want hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt. Als ik op dit moment nog geen doelpunten had gemaakt voor Roda JC, zou iedereen het bij de club nog steeds over Koné hebben gehad.’

Nu niet meer?

‘Ik hoor weinig meer over Koné, het is vooral een item voor journalisten. De mensen bij de club hebben mij vanaf het eerste moment het gevoel gegeven dat ik erg welkom was. Voordat ik mijn contract tekende, ben ik eerst even gaan kijken. Hoe was de club, hoe was het stadion, hoe waren mijn medespelers? Al snel merkte ik dat bij Roda JC een heel familiaire sfeer heerst. Daar was ik heel erg aan toe na mijn avontuur bij Torpedo Moskou. Na zo’n hectische metropool had ik behoefte aan wat rust, aan een andere lifestyle en een voetbalcompetitie die bij mij past. Roda JC zelf kende ik niet zo goed, het Nederlandse voetbal in het algemeen wél. Ik werk bij het nationale elftal van Estland met een Nederlandse bondscoach, Jelle Goes, en ook zijn voorganger Arno Pijpers is een Nederlander. Zij hebben mij veel verteld over dit land en het voetbal dat hier wordt gespeeld. We trainen en spelen met Estland op de Nederlandse manier, met drie spitsen en een nummer 10. Ik heb nog met Goes gebeld toen Roda JC me wilde hebben. “Meteen doen”, zei hij. “Jij past in de Nederlandse competitie”. Ik hoop dat hij gelijk krijgt en ik voel me al aardig thuis, hoewel Roda niet typisch Nederlands voetbal speelt. Wij voetballen niet met echte buitenspelers, maar met een diepe spits en drie aanvallende middenvelders kort achter hem, afhankelijk ook van de tegenstander. Dat vind ik ook wel weer aardig. Het is nieuw voor mij, dus automatisch leerzaam.’

Nederland is een land van tactiek.

‘Dat heb ik wel begrepen. Het voetbal wordt hier heel erg beredeneerd en tactisch benaderd. Hoe speelt de tegenstander en wat doen wij om hun zwakke plekken uit te buiten waardoor wij beter worden? Daar wordt op getraind en over gepraat. Voor elke wedstrijd hangen er vellen papier aan de muur met looplijnen en iedere speler stapt met tactische opdrachten het veld in. Dat was niet nieuw voor mij, zo werkten de Nederlandse coaches in Estland ook, maar in Moskou was het een ander verhaal. Daar zette de trainer een formatie op het bord en was het vooral van: Kom op en doe wat je denkt dat goed is. En daar gingen we. In de rust hoorde je nooit wat we moesten veranderen aan het spel om de wedstrijd te kunnen winnen. Je werd als persoon aangesproken. Dit en dat doe je fout. Met tactiek had het weinig te maken, daarom bevalt de Nederlandse aanpak mij wel. De trainers in Nederland zijn veel professioneler ingesteld dan de coaches in Rusland.’

In Nederland was je vóór je komst naar Roda JC als speler niet onbekend.

‘Ik heb in juni 2001 gescoord tegen Nederland in een kwalificatiewedstrijd voor het WK in Japan en Zuid-Korea. Oranje was nog volop in de race en vlak voor tijd stonden wij met 2-1 voor. We hadden toen geschiedenis kunnen schrijven, maar verloren in de slotfase alsnog met 2-4. Ik vind het nog steeds erg jammer dat we die wedstrijd niet konden winnen.’

Wie is Andres Oper?

‘Een jongen uit Estland die altijd heel graag voetballer wilde worden. Ik begon op mijn zevende met voetballen op school. Op een dag kwam er iemand kijken en hij nodigde zestig jongens uit om wekelijks met hem te komen trainen. Na een maand bleven er vijftien over, onder wie ik. Die trainer was niet best, hij liep alleen maar te schelden en na een paar weken stopte ik er dan ook mee. Ik ben daarna bij Tallinn Footballschool gaan spelen, voordat ik terechtkwam bij UP 86. Daarna vertrok ik naar de Tallinn Panthers. Dat elftal werd ineens het tweede team van Flora Tallinn, want die club zocht jeugdige talenten. Zo ben ik bij Flora terechtgekomen. Ik debuteerde in 1994 en speelde een wedstrijdje. De jaren daarna veroverde ik een vaste plaats en begon ik te scoren. Onze trainer bij Flora kende de coach van het Deense Aalborg. Zij zochten een spits en kwamen op die manier bij mij terecht. Ik was bij Flora full-prof, maar ik zag een overgang naar Denemarken wel zitten. De competitie daar is toch een stap hoger dan die in Estland.’

Op 21-jarige leeftijd op eigen benen in een vreemd land, hoe was dat?

‘Wennen, want ik was dus echt helemaal alleen. Ik had mijn familie en vrienden achtergelaten in Estland en vooral in het begin miste ik ze enorm. De transfer naar Aalborg ging zó snel, dat ik niet eens rekening had gehouden dat het kón gebeuren. Maar voordat ik het wist zat ik alleen in een flatje in Denemarken. De aanpassing verliep verder heel soepel. Denen zijn zoals Nederlanders: heel vriendelijk en behulpzaam. Een aantal spelers nam me mee de stad in zodat ik de mensen wat leerde kennen. Dat is leuk in het begin, maar het kan niet elke dag. Vaak zat ik alleen in mijn appartement een beetje naar het plafond te staren. Maar ik was daar met een doel: slagen als voetballer. Ik heb er vier jaar gezeten. De trainers gebruikten me vooral als hangende rechtsbuiten, niet míjn positie. Het ging ten koste van mijn doelpunten. De mensen vonden dat ik te weinig scoorde en ik kon het alleen maar met ze eens zijn. Het probleem was dat ik te weinig voor de goal kwam. Pas toen mijn contract bijna was afgelopen kwam ik in de spits terecht en toen liep het wél. Ik vind het nog steeds jammer dat ik daar niet op een vaste positie heb kunnen spelen. Daarom is mijn verblijf in Denemarken qua doelpunten niet geworden wat ik ervan had gehoopt. Na mijn vierde seizoen was ik met vakantie in Estland toen mijn manager belde dat Torpedo Moskou mij wilde hebben. Het werd opnieuw een bliksemtransfer. Ik ging eerst kijken wat voor club het was en wat voor mensen er rondliepen, maar toen ik er was waren we eigenlijk meteen rond. Ik zag er weer een interessante uitdaging in, terwijl de mensen in Estland nou niet bepaald achter mijn keuze stonden.’

Want je ging spelen in het land van de voormalige bezetter.

‘Rusland is inderdaad niet populair in Estland vanwege die jarenlange bezetting. En ikzelf had geen al te goede verhalen gehoord over de Russische competitie. Maar toch wilde ik ernaartoe. Ik ben iemand die houdt van het onbekende, van uitdagingen. Als ik het niet zou doen, zou ik er later spijt van krijgen. Ik wilde zelf ondervinden hoe het was in Moskou te spelen. Het geld gaf niet eens de doorslag.’

Hoe was het?

‘Eigenlijk ben ik nog niet klaar daarover te praten. Laten we het er maar op houden dat ik daar erg ongelukkig was.’

Wat was het probleem? De Russische manier van werken, de discipline?

‘Discipline? Die was er juist helemaal niet. Iedereen deed maar wat. Dat verbaasde me echt. De club was wél professioneel, want voor elke wedstrijd gingen we op trainingskamp, maar de spelers leefden niet voor het voetbal. Als de mentaliteit van de meeste spelers niet goed is, heb je een probleem. Sommige jongens zeiden gewoon niks tegen me. Ze lieten me het maar uitzoeken.’

Omdat je uit Estland komt?

‘Nogmaals, het is beter daar niks over te zeggen. Het was gewoon een rottijd. Moskou op zich is een mooie stad. Je kunt er een rustig leven leiden en als je tien minuten in je auto rijdt, zit je midden in het vertier. Het leven was niet slecht, maar daar kwam ik niet voor. Ik wilde voetballen en juist dat viel enorm tegen. Bovendien heb ik een halfjaar gemist vanwege allerlei blessures. Dat maakte het ook niet gemakkelijk. Gelukkig spreek ik Russisch, want dat leerden we vroeger op school. Ik had het lang niet gesproken, maar toen ik er een paar weken zat, werd het heel herkenbaar en ging het als vanzelf. Ik was niet de enige buitenlander met dat probleem. Het is geen toeval dat de Portugezen Maniche en Costinha zo snel mogelijk terug wilden naar hun geboorteland.’

Hoe was het voetbalniveau in Rusland?

‘Dat was goed. De meeste spelers kunnen wel wat met een bal, maar het probleem is dat ze dat ook allemaal willen laten zien. Daarom ligt het tempo in de Russische competitie niet zo hoog; iedereen wil zijn kunstje doen. Torpedo is in Moskou geen grote club. Spartak, CSKA, Dinamo en Lokomotiv zijn wél populair in de stad, Torpedo is de kleinste club en wilde groot worden. We speelden in het gigantische Lenin Stadion, maar trokken gemiddeld maar drieduizend toeschouwers. Dat zorgde voor een aparte sfeer, voetballen in een vrijwel leeg stadion, want 82 duizend plaatsen bleven onbezet. In Moskou trekt eigenlijk alleen Spartak veel publiek, maar als je eenmaal in de provincie speelde zat het wél vol. Dat waren de leukste wedstrijden. Ik heb een duel meegemaakt dat wel aardig was. Nadat CSKA dit jaar de UEFA Cup had gewonnen, moesten ze tegen Spartak en was het stadion met 85 duizend mensen uitverkocht. In Moskou zit tegenwoordig het grote geld, maar de juiste structuur ontbreekt om er echt wat van te maken. Met het geld dat ze daar hebben kun je topelftallen formeren, alleen wil geen topspeler naar Moskou. Het kan toch geen toeval zijn dat de beste teams in die stad de clubs zijn met de meeste buitenlanders. Bij Torpedo was ik samen met iemand uit Litouwen de enige die niet uit Rusland kwam. Misschien hadden de Russische spelers het nodig, die drang naar vrijheid na een jarenlang streng regime.’

Ook jijzelf bent opgevoed onder de vlag van de Sovjet-Unie.

‘Ik heb een fantastische jeugd gekend en had nooit het idee dat ik in ook maar iets werd beperkt. Echt, ik kan me niets slechts bedenken. Sterker nog, ik denk dat het tegenwoordig voor de jeugd in Estland veel moeilijker is. Als wij vroeger wilden voetballen, dan gingen we naar de club. Als je wilde basketballen, dan ging je basketballen. De staat regelde het. Nu moet je overal voor betalen. Iedereen denkt nu in eerste instantie aan zichzelf, je moet toch je hoofd boven water zien te houden. Alles draait om geld, terwijl vroeger de staat daarvoor zorgde. Sinds 1992, toen we onafhankelijk werden, is alles veel meer individualistisch geworden en dus minder leuk. Ik heb het land echt zien veranderen.’

Je speelt nu zes seizoenen in het buitenland. Wat hebben die jaren jou geleerd?

‘Dat je als buitenlander extra hard moet werken om je te kunnen bewijzen. Iedereen verwacht méér van je. Ik heb daardoor geleerd me te concentreren op het enige dat echt belangrijk is, het voetbal. Het leven komt op de tweede plaats. Je moet eerst als voetballer slagen, daarna wordt alles meteen een stuk gemakkelijker. Daarom heb ik ook geen problemen met die erfenis van Koné. Als Roda JC nou mijn eerste buitenlandse club was, zou het een ander verhaal zijn. Maar ik ben mentaal erg sterk geworden in het buitenland. Ik laat me niet snel uit het veld slaan. Ik weet dat de mensen iets van me verwachten, maar dat is altijd al zo geweest. Je moet gewoon hard werken, dat wordt altijd beloond. Ik ben geen twintig jaar meer, ik doe waar ik goed in ben. Als ik de verhalen moet geloven was Koné goed in álles, maar ik ken mijn eigen kwaliteiten.’

Volgens technisch adviseur Nol Hendriks heb jij een gebrekkige techniek. Stoort je dat?

‘Zegt hij dat? Dat is nieuw voor me, ik heb het niet gelezen. En nee, het stoort mij ook niet. Zulke kritiek zal er altijd zijn en het doet me niets. Niet méér in elk geval. Ik kan geen Nederlandse kranten lezen en misschien is dat maar goed ook voor een speler uit het buitenland.’

Je bent geboren in Estland. Waarom ben je niet gaan ijshockeyen of schansspringen?

‘Dat heb ik ook allebei gedaan, maar voetbal raakte me het meest. Ik heb als kleine jongen ook ooit op zo’n skischans gestaan – je moest wát doen in de winter. Alleen toen het echt hoog werd, ben ik gestopt. Het voetbal wordt ook steeds populairder in ons land, maar het probleem is de strenge winter. In november stopt de competitie en in maart gaan we weer verder. We vergeten het voetbal gewoon voor een paar maanden. Daarom is het zo belangrijk dat we het goed doen met het nationale elftal. Onze prestaties maken de mensen enthousiast. De Nederlandse coaches hebben daar een rol in gespeeld, maar de coach uit IJsland, die vóór Arno Pijpers en Jelle Goes de baas was, is het belangrijkst geweest. Wij hadden in het begin dezelfde mentaliteit als de Russische spelers op dit moment hebben. De IJslander was de eerste die ons voetbal professionaliseerde, Pijpers en Goes ontwikkelden het. Sindsdien gaat het steeds beter met het nationale elftal. We zijn in de kwalificatiegroep voor het WK in Duitsland vierde geworden achter Portugal, Slovenië en Rusland, maar vóór Letland. Dat was de doelstelling. Ik hoop dat we ons ooit plaatsen voor een groot toernooi, zoals de Letten dat deden voor Euro 2004 in Portugal.’

Dat is het trieste lot van een goede speler uit een klein voetballand: hij zal waarschijnlijk altijd ontbreken op een EK of WK.

‘Als het zo moet zijn, kan ik het niet veranderen. Het is jammer, meer niet. Ik geef niet op. Estland is inderdaad een klein land met maar anderhalf miljoen inwoners, maar er komt wel steeds meer talent door.’

En dat probeer jij te ontwikkelen met een eigen voetbalschool.

‘Ik was een keer voor een interland met Estland in Kroatië, toen we de avond daarvoor op de tribune de verrichtingen van Jong Estland volgden. Mijn oog viel op een reclamebord, waar een voormalige Kroatische international – ik weet niet meer wie – reclame maakte voor zijn voetbalschool. Ik wist meteen dat het ook iets voor míj zou zijn. Ik heb meteen mijn vriendin gebeld en zij vond het een goed idee. Toen zijn we aan de slag gegaan. In eerste instantie hebben we ons aangesloten bij een sportopleiding in Estland die nog geen voetbaltak had, maar dat werkte niet. Sindsdien zijn we onafhankelijk met de Andres Oper-voetbalschool. Het gaat heel goed, we hebben meer dan honderd jongens lopen die training krijgen van goede, gediplomeerde trainers. Ik vind het ontzettend leuk en het mes snijdt meteen aan twee kanten. Ik hoop dat we een paar goede voetballers afleveren voor de toekomst van het voetbal in Estland, en ik heb na mijn carrière wat te doen.’