Eén ding is zeker, Roda JC sloopt de beker. Mits de club komende zondag de dennenappel wint.
Het is 21 mei 2000, Roda JC heeft zojuist in een landerig duel in De Kuip tegen NEC de KNVB-beker voor de tweede keer in de clubgeschiedenis opgehaald: 2-0.
Trainer Sef Vergoossen en doelpuntenmakers Bob Peeters (kopgoal) en Eric van der Luer (penalty) dienen na te blijven. Verplicht, maar niet plichtmatig staan zij de pers te woord. De spelersbus is zonder hen vertrokken, een huldiging op het stadhuis in Kerkrade wacht.
De drie laatkomers scheuren in een personenauto langs de colonne supportersbussen. Ze hebben haast, zijn halsoverkop uit Rotterdam vertrokken, een uitzinnige Limburgse menigte lonkt.
En dan gebeurt het: ‘Ik kreeg het lumineuze idee om de beker aan de mensen te laten zien’, dist Peeters sipjes op. ‘Maar ja, ik was even vergeten dat we zo’n 120, 130 kilometer per uur reden. Ik heb die beker in al mijn enthousiasme buiten het raam gestoken, en toen is die deksel – hij zat er nogal losjes op, hè – gaan vliegen.’
Het deksel stuitert over het asfalt en raakt een achteropkomende motoragent op een haar na.
Vergoossen en Van der Luer stappen een kilometer verder uit op de vluchtstrook. De trainer zoekt in de middenberm, de aanvoerder speurt naast de snelweg. ‘Wij raakten in paniek’, stelt middenvelder Van der Luer. ‘Vandaar onze reactie: we moeten hem zoeken.’
‘En Peeters bleef maar in de auto zitten, zogenaamd om de beker te beschermen’, aldus Vergoossen.
‘Vijf minuten nadat ze begonnen waren met zoeken, werden ze opgepakt. Door de politie’, zegt Lierse-spits Peeters. ‘Wij werden terug in de auto gemaand’, vervolgt Van der Luer. ‘Wat Sef en ik deden, bleek lévensgevaarlijk te zijn.’
Met name het onverschrokken gedrag van de toch niet als roekeloos bekend staande Vergoossen viel op. ‘Och, ik weet heus wel wat ik op zo’n moment doe hoor’, zegt de huidige kampioenstrainer van PSV. ‘Later heb ik wel beseft dat het een tikkeltje riskant was. Iemand die in zijn wagen zit, had best kunnen schrikken: opeens staat er iemand midden op de autobaan.’
Van de schrik bekomen, scheurt het trio langs het oude Kaalheidestadion, waar Roda dat jaar afscheid van zal nemen. Met bandagetape plakt Van der Luer een minidekseltje van een onbetekenende jeugdbeker op de riante dennenappel. Potsierlijk, maar het feest op de Markt in Kerkrade was er niet minder om.
De deksel is spoorloos. Maar Vergoossen heeft een aanknopingspunt: voor hij het CIOS deed, had hij een tijdlang een administratief baantje gehad bij Rijkswaterstaat. Hij kent zodoende de weg op het arrondissementskantoor en regelt een klopjacht naar het lid. Slim: hij had bij het verlies direct het hectometerpaaltje in zijn brein genoteerd.
Op de A16, ter hoogte van Bavel, vinden medewerkers van Rijkswaterstaat twee dagen later de gebutste deksel terug. ‘Een wonder’, vindt Van der Luer nu. Vergoossen: ‘Volgens mij is er toen nog een foto gemaakt, voor in de Telegraaf.’
Een domme actie van de Vlaming, vinden de betrokkenen nog altijd.Peeters: ‘Het was natuurlijk een heel item die weken daarop; zo’n domme Belg, die heeft de deksel laten vliegen.’
‘Het is een Belg: zoiets kun je verwachten’, poneert Van der Luer. (Vergoossen: ‘Schitterende gasten, die twee. Lopen elkaar altijd te jennen.’)
De bekerwinst blijft in de gedachten van de trainer en zijn ex-pupillen. ‘Dat zijn momenten, die vergeet je niet snel. En dat wil je ook niet’, zegt Van der Luer. ‘Super, hè? Ja, we hadden een leuk elftal ook, op dat moment.’
Vergoossen: ‘Ik had het op dat moment niet in de gaten, maar als je met een club als Roda de beker wint, dan heb je iets tastbaars in handen. Met Roda kun je geen kampioen worden, hooguit plaats je je voor het UEFA Cup-toernooi via plaats drie of vier of zo. Maar dat is geen tastbare prijs, de beker is dat wél.’
Een tastbare, maar geen onaantastbare prijs. Peeters, hij is dezer dagen geregeld gebeld over het voorval, verontschuldigt zich zeven jaar nadien nog maar eens voor zijn vandalisme. ‘Ik had te veel champagne gedronken, niets gegeten uiteraard. Onder invloed van drank doe je dan zoiets, waarvan je achteraf denkt: ik had het beter niet gedaan. Maar inmiddels is het een verhaal waaraan ik met veel weemoed terugdenk.’
Over de huidige staat van de trofee durven de oud-Rodanen niets te zeggen. ‘Maar Roda kennende’, beweert Vergoossen, ‘hebben zij de beker in een beste staat ingeleverd. Daar ben ik heilig van overtuigd.’ |